Wijziging arbeidstijdenwet

Voorstel van wet van de leden Bussemaker en Van Dijke tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van zeggenschap van werknemers over arbeidstijden. 14-05-2002

Voorzitter.
Allereerst wil ik de indieners feliciteren met voorliggend initiatief wetsvoorstel. Het is een enorme klus om een initiatiefwetsvoorstel te maken. Dat verdient waardering. Het voorstel heeft veel los gemaakt. Het initiatiefvoorstel zelf beslaat niet veel pagina's. De Handelingen in de Tweede Kamer des te meer.

Het voorliggend wetsvoorstel regelt een uitbreiding van de zeggenschap van werknemers over de arbeidstijden op twee punten:
- Werknemers kunnen niet op zondag gedwongen worden te werken, tenzij het werken op zondag voortvloeit uit de aard van de arbeid (politie, brandweer, zorgsector, openbaar vervoer, proces- en energie- industrie, enz.).
- De werkgever moet bij de vaststelling van de werktijden zoveel mogelijk rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

GroenLinks vraagt al jarenlang aandacht voor vergroting van de zeggenschap van de individuele werknemer op het punt van de arbeids- en rusttijden. Arbeid en zorg is nog steeds moeilijk combineerbaar. Mensen moeten de mogelijkheid hebben om voor zichzelf een goede balans te vinden tussen arbeid, zorg en vrije tijd. Tijd is een schaars goed geworden. De strijd om tijd is een actueel thema. Het gaat dan niet alleen om een afstemming van afspraken in individuele agenda's, maar ook om afstemming van tijdsbesteding van individuen en groepen. Er moet tijd zijn voor elkaar, voor ontspanning,voor maatschappelijke activiteiten of voor wat dan ook. Een collectieve rustdag hoort daarbij.

In 1995 is de huidige Arbeidstijdenwet van kracht geworden. Tijdens de behandeling in Eerste Kamer hebben een aantal partijen hun zorg uitgesproken of de nieuwe wet werknemers voldoende bescherming zou bieden tegen excessieve eisen die werkgevers zouden kunnen stellen ten aanzien van hun inzetbaarheid. De Arbeidstijdenwet opende de mogelijkheid om tot een verruiming van de arbeids- en rusttijden te komen door het opstellen van een overlegregeling. Uit de evaluatie van de arbeidstijdenwet blijkt dat hier regelmatig gebruik van gemaakt is. Steeds vaker wordt er een beroep op werknemers gedaan om in de avonduren en in de weekeinden te werken. Uit diezelfde evaluatie bleek dat de ondernemingsraden en de personeelsvertegenwoordiging niet optimaal werken als het gaat over afspraken met de werkgever over werken of niet werken op zondagen. Vaak is men snel overtuigd dat de bedrijfseconomische omstandigheden zodanig zijn dat op andere tijden gewerkt moet worden. Het is dan ook een goede zaak dat de indieners van dit wetsvoorstel de beslissing, wel of niet op zondag te werken wegens bedrijfsomstandigheden, bij de individuele werknemer leggen en deze zo meer zeggenschap geeft over de arbeids- en rusttijden.

De minister ziet dat anders. Volgens hem heeft de individuele werknemer uit het geldende arbeidsovereenkomstenrecht al een instemmingsrecht. Dit wetsvoorstel vindt hij in die zin overbodig.
Artikel 5.4 van de Arbeidstijdenwet gaat over de vraag of de werkgever op zondag arbeid mag laten verrichten. In dit artikel staat niets over de verplichting van de werknemer zo'n opdracht van de werkgever uit te voeren. Dat is een vraag van uitleg van het in het BW geregelde arbeidsovereenkomstenrecht.
De werkgever heeft in de huidige situatie instemming van de werknemer nodig als hij een wijziging aan wil brengen in de overeengekomen werktijden, het gewone arbeidspatroon zogezegd. Bij zondagarbeid, noodzakelijk wegens bedrijfsomstandigheden, gaat het niet om het gewone arbeidspatroon, maar om incidentele afwijkingen van het arbeidspatroon in de vorm van overwerk of verschoven werktijden. De werkgever mag en kan in die gevallen op basis van het directierecht; artikel 7:660 BW, met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid, de werktijden vaststellen. De werknemer is dan verplicht hieraan gevolg te geven.
Is het niet zo, zo zou ik de minister willen vragen, dat de werknemer praktisch gezien, het risico loopt op staande voet ontslagen te worden als hij geen gevolg geeft aan de aanwijzing van de werkgever?
En als dat zo is, dan is niet dit wetsvoorstel overbodig maar juist broodnodig. Expliciete instemming van de individuele werknemer of hij op zondag wil werken, indien de bedrijfsomstandigheden dat vragen, wordt nu geregeld via dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel herstelt niet zozeer een weeffout van de huidige wet. Het is eerder een correctie, via de arbeidstijdenwet, op het in het BW geregelde directierecht.
Kortom, een expliciete instemmingsregel lijkt me niet onnodig. Ik begrijp dan ook niet waarom de minister dit een overbodig wetsvoorstel vindt.

Het onderscheid tussen bedrijfsomstandigheden en werkzaamheden die voortvloeien uit de aard van het werk (de politie, de zorgsector) in relatie tot zondagsarbeid is aan het verwateren. Volgens de indieners sluiten de begrippen "aard van de arbeid" en "bedrijfsomstandigheden" naadloos op elkaar aan en kunnen elkaar overlappen. Als dat zo is dan heeft de minister een punt als hij stelt dat het opzegverbod van de arbeidsrelatie in de praktijk zal leiden tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid (EK MvA, pagina 8). Hoe kijken de indieners van het wetsvoorstel hier tegenaan? Is er bij aanname van dit wetsvoorstel sprake van rechtsongelijkheid tussen werknemers?
Het is niet direct een meerwaarde om hier een wetsvoorstel aan te nemen dat rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid met zich meebrengt.

Voorzitter.
De minister is niet enthousiast over dit wetsvoorstel. Over het wel of niet overbodig zijn van het wetsvoorstel sprak ik al. In de Memorie van Antwoord antwoordt hij op vragen vanuit de Eerste Kamer dat hij de juridische houdbaarheid in twijfel trekt van de gehanteerde definities. Het gaat dan met name over het onderscheid tussen 'aard van de arbeid' en 'bedrijfsomstandigheden' bij het opzegverbod die kunnen leiden tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Een situatie die het kabinet onwenselijk vindt, maar niet zo erg dat zij het wetsvoorstel, na aanvaarding door de Staten Generaal, niet zal bekrachtigen. Betekent dit dat de minister eventuele rechtsongelijkheid en de rechtsonzekerheid op de koop toe neemt of betekent het dat het met die ongelijkheid en onzekerheid in de praktijk wel mee zal vallen? Kortom, op welke gronden gaat het kabinet straks deze wet bekrachtigen? Alleen het feit dat het kabinet dit een sympathiek wetsvoorstel vindt, lijkt me erg mager. Er zijn wel meer sympathieke wetsvoorstellen die niet op de steun van het kabinet kunnen rekenen. Er moet toch meer zijn. Vindt het kabinet het niet van groot belang om extra bescherming te bieden aan de zondag, als collectieve rustdag?

Voorzitter, ik rond af.
In de ogen van GroenLinks is het voorliggend voorstel niet overbodig. Het is een goede zaak dat mensen meer zeggenschap krijgen over hun arbeids- en rusttijden.
Mijn fractie heeft de nodige twijfels over de scheidslijn tussen de begrippen 'de aard van de arbeid' en 'bedrijfsomstandigheden'. Er zou een strikte omschrijving moeten komen over wat verstaan wordt onder 'de aard van de arbeid'. Dit geeft de nodige duidelijkheid voor de werknemers over hun rechten en plichten inzake zondagarbeid.

GroenLinks is al met al positief over voorliggend initiatiefwetsvoorstel. De rechten van een aantal werknemers wordt versterkt. Zij krijgen meer zeggenschap over hun arbeids- en rusttijden.

Uitgesproken tekst geldt

Dagboek Archief

Aangedreven door Movable Type 4.38